ETHIOPIË

20 dec-11jan ’03-‘04

Door Yves Van Roosbroeck (yvesvanroosbroeckpandorabe).


20-12:  Wanneer Bert mij kwam ophalen, lag ik natuurlijk nog in mijn bed…overslapen.  We vertrokken richting Frankfurt om daar op het vliegtuig van Ethiopian Airlines richting Addis Abeba te stappen.  Maar eerst Torfs nog ophalen in Leuven.  Hij stond er al op ons te wachten, we waren een beetje te laat, maar nog op tijd om de vlucht te halen.
We lieten Bert z’n Renault achter op de betaalparking van de luchthaven in Frankfurt.  De Renault zou daar drie weken geduldig op ons wachten.
We checkten onze bagage in en konden mooi op tijd op het vliegtuig stappen.  Maar het ding vertrok niet!  Twee volle uren zaten we er al in en toen pas kwam er beweging in.  Het was discriminatie.  Ethiopian Airlines had maar enkele vluchten per week op Frankfurt en was daarom eigenlijk geen goede klant van Frankfurt.  Daarom kregen de westerse maatschappijen als KLM en United voorrang om op te stijgen.  Het gebeurde haast altijd, hoorden we de steward zeggen.  Na de relatief korte vlucht van 6 uur en 45 minuten hadden we toch weer 9 uren in het vliegtuig gezeten.
Ik was wat bang dat in Addis zich dezelfde wanorde zou vertonen als in Kenia vorig jaar, maar dat viel best mee.  We moesten wat zoeken naar een hotel, want enkelen zaten vol.  Maar in het Debre Damo hotel had men nog plaats voor ons.  Het was reeds 4 uur in de morgen, we konden ons bed gebruiken!

21-12: We waren terug in de tijd gereisd.  In Ethiopië volgde men niet onze Gregoriaanse kalender, maar de Juliaanse kalender, genaamd naar Julius Caesar.  Hun kalender liep ruwweg 7.5 jaar achter op de onze, het was er 1997.  Nieuwjaar viel er telkens op 11 september.
We maakten een korte wandeling door Addis in de straat van het hotel.  Er was een student die naar ons toekwam en voorstelde om met ons naar een ceremonie te gaan.  Maar Torfs herkende dit verschijnsel uit z’n reisgids.  Het stond bekend als de ‘siren scam’.  Hierbij werd de nietsvermoedende reiziger naar een ceremonie gebracht om deze bij te wonen, waarna hem een exorbitante rekening werd gepresenteerd.  We deden dus ons best om deze bedrieger af te schudden en even later lukte dat.
We gingen een bakkerij binnen om te ontbijten en ik bestelde er twee koffie’s, waarna de zwarte van dienst naarstig twee warme melken begon klaar te maken tot z’n bazin hem op z’n vingers tikte voor het misverstand.
Op de middag kwam onze taxi ons ophalen om weer naar de luchthaven te rijden.  We zouden Addis Abeba nu niet bezoeken, we hielden dat liever voor op het einde van onze reis door Ethiopië.
We stapten op een kleine Fokker 50 van Ethiopian Airlines die ons naar Bahir Dar zou brengen.  Maar weer liep dat niet van een leien dakje.  Dit was immers Afrika…en daarom kon het ons niet schelen!
Bij de motortest bleek dat aan één van de twee propellermotoren iets haperde.  Een ploeg van drie zwarte technici werd erbij gehaald en ze opende de defecte motor.  Ze stonden erbij en keken ernaar…ik kon alles goed zien gebeuren door het raam van het vliegtuigje.  Op hun eigen Afrikaanse tempo prutsten ze wat aan de motor, vervingen een onderdeel en klaar was kees.  Bij een nieuwe motortest deed de ‘herstelde’ motor helemaal niks meer!  Weer probeerden de technici het euvel te verhelpen, maar tevergeefs.  We werden gevraagd om weer af te stappen en te wachten tot een ander vliegtuig beschikbaar was om ons naar Bahir Dar te brengen.  Dit was Afrika, dit was waarvoor we gekomen waren…
We moesten dus wachten op een ander vliegtuig, maar niemand scheen te weten wanneer dat kwam, het personeel van Ethiopian nog het minst.  Er werd ons een maaltijd beloofd in afwachting van de vlucht, maar die maaltijd hebben we nooit gezien.  Zelfs geen Ethiopisch hongersnoodrantsoen.
Wat later was er dan toch een andere Fokker 50 die wel in orde was.  We vlogen boven het dorre Ethiopië en konden de mooie landschappen goed zien.
Bahir Dar lag aan het Tana meer, het grootste meer van heel Ethiopië.  Een bocht over het meer…en dan een perfecte landing.  Er stonden geen andere vliegtuigen op de piepkleine luchthaven van Bahir Dar.
 

De injera bezorgde ons een injury!


We reden naar het Ghion hotel.  Daar logeerden de meeste westerse reizigers in Bahir Dar.  Het hotel was dik in orde!  Er lag een krant van die dag, inderdaad, het was 1997 in Ethiopië! Torfs en ik aten er Ethiopisch lokaal eten, de injera.  ‘Pikant of niet?’, vroeg de bediende.  ‘Pikant!’, zeiden we resoluut.  En dat kregen we!  Hoe zij dit konden eten was ons een raadsel.  De stoom kwam uit onze oren en we voelden ons alsof we net een dubbele marathon hadden gelopen.  De injera had al vlug een nieuwe bijnaam: injury.  Pas na acht biertjes kwam ik er weer bovenop!
 

'Socialising' met de lokalen


22-12: Op eigen houtje ondernamen we een daguitstap naar het dorpje Tis Isat om van daar met een gids de Blue Nile Falls te bezoeken.  De Blauwe Nijl ontsprong in Bahir Dar en was eigenlijk de ‘overloop’ van het Tana meer.  32 km verderop, aan het arme dorpje Tis Isat, wat ‘rokend water’ betekende, waren de Blue Nile Falls.  Vroeger waren zij zeer spectaculair en omringd door een micro-regenwoud.  Maar nu waren zij nog slechts een fractie van wat ze voordien waren, er werden immers een reeks stuwdammen gebouwd tussen Bahir Dar en Tis Isat om elektrische stroom te winnen.  Deze stuwdammen verhinderden de volledige doorstroming van de Blauwe Nijl, met alle gevolgen van dien voor de watervallen…
 

The Blue Nile falls


 

Tijdens de wandeling werden we vaak achtervolgd door kinderen die ons calabassen en sjaaltjes trachtten te verkopen.  In kleine nederzettingen trachtte men ons ook frisdrank te verkopen.  In zo een nederzetting hielden we halt, we waren omringd door wel 10 lokalen.  Eéntje vroeg mij om een pen.  Ik hield gedurende het jaar steeds alle pennen die m’n pad kruisten tegen en bewaarde ze om mee te nemen tijdens mijn reizen.  Ik gaf de jongen dus ‘n pen.  Iemand vroeg of ik er nog een had.  Die had ik.  Toen ik de pen uit m’n rugzak nam, kwam de menigte op mij af.  Ik had een tiental pennen bij, er werd haast voor gevochten.  Ik kon de graaiende zwarte handen amper uit mijn rugzak houden en wild trokken ze aan de pennen, als vliegen op ’n stront...   Ik kon nog net één pen voor mezelf wegmoffelen die ik nodig had om m’n verslag neer te pennen tijdens de reis…Ik voelde me overvallen, dit was de bedoeling niet!
 

Lokalen

We waren terug in Tis Isat en moesten nog wachten op de bus.  De bus stond er al, maar ze zou niet vertrekken vooraleer alle plaatsen bezet waren.  We dronken iets en enkele kinderen kwamen vragen of ze voor ons zitplaatsen moesten reserveren op de bus.  We stemden in, het was immers gemakkelijk voor ons en zij verdienen graag een centje bij.  Toen ik de jongen z’n fooi gaf, 1 birr, was hij hoegenaamd niet gelukkig en reclameerde op haast onbeschofte wijze.  ‘This is my work, you know, MY WORK!’, als wilde het joch zeggen, jou kleingeld interesseert mij niet.  Jij bent mijn werkgever en moet me een eerlijk loon geven!  Nu geef ik toe dat ik wel wat gierig was geweest ook.  Ik gaf hem dus uiteindelijk na lang verzinnen toch wat meer en hij verdween…
 

Tis Isat

Terug in Bahir Dar hadden we dorst en we gingen binnen in een lokaal café.  Eerst zagen we niemand daarbinnen, maar toen zag Bert dat de tapper lag te slapen achter de toog.  We durfden hem niet goed wekken, hij leek verzonken in een diepe slaap.  Het was rond twee uur in de namiddag.  We maakten voorzichtig wat lawaai en even later kwam er iemand van achter het gordijn tevoorschijn.  Hij deed vruchteloze pogingen om de tapper wakker te maken, maar die moezde wat en bleef schoon liggen.  We bestelden 3 cola’s en kregen die even later.
Ons licht begon te branden, die franjes aan de muur, die poster naast de deur, het hele interieur, het vreemde gedrag van de barkeeper… Toen er even na onze cola’s ook nog vier opgetutte mooie meisjes die ons flink beloerden van achter het gordijn kwamen, wisten we wat dit hier was.  Ik had het moeten weten…wie Bert en Torfs blindelings volgt, komt vroeg of laat binnen in een hoerenkot…We dronken snel onze cola op en namen het hazenpad.  Bij het buitengaan zei Bert nog: ‘Hmmm…pertang…die met dat groen kleedje aan…’
 

Bert aan de Blue Nile Falls

We aten in het Ghion hotel en gingen dan te voet tot aan de brug over de Blauwe Nijl.  Dat was een aardig eindje stappen!  Al snel werden we gevolgd door 3 halsstarrige bedelende kinderen.  Ze waren handtastelijk en gaven niet op.  Ze huilden en zeiden dat ze honger hadden, maar dat was flauwekul.  Al onze truukjes om ze af te schudden mislukten.  Ik begon een hele uitleg tegen hen in het Nederlands, een truuk waarmee ik al menig bedelaar mee kon afschudden in het verleden, maar ditmaal haalde het niets uit.  Torfs gebood vastberaden maar beleefd de kinderen terug te gaan naar vanwaar ze kwamen, maar ook dat hielp niet veel.  Bert stak z’n arm uit op eerder agressieve wijze en dat hielp, ze bleven op een afstand nu, maar volgden ons nog steeds.  Toen we eindelijk aan de brug kwamen, werden we gevolgd door een stoet van wel 10 kinderen en jongeren, maar deze waren niet uit op ons geld.  Ze waren hier nog geen blanken gewend en zochten contact, gewoon uit benieuwdheid.  Maar ze waren te verlegen om ons aan te spreken en namen genoegen met ons gezelschap alleen.  Op de terugweg gingen we een pool-tent binnen om er een cola te drinken.  De poolende jongeren vroegen of we wilden spelen, maar nadat we duidelijk hadden gemaakt dat we dat liever aan hen overlieten, negeerden ze ons.  Het viel ons op dat de ambetanterikken zich enkel concentreerden rond het Ghion hotel.  Daarbuiten was Bahir Dar een gewoon boerengat met fatsoenlijke en eerlijke mensen.  Zijn het de té gulle toeristen die verderf en hebzucht zaaien onder de lokalen?
 

De sterk gekrompen Blue Nile Falls

23-12: Via het Ghion hotel regelden we een uitstap naar Lake Tana en zijn kloosters.  Deze kloosters waren gelegen op verschillende eilanden op het meer en vele van deze kloosters dateerden uit de late 16e en vroege 17e eeuw.  Hoewel sommigen onder hen hun oorsprong vonden in pré-Christelijke heiligdommen.
Het vertrek was weer typisch Afrikaans.  Eerst was het 8 uur, dan werd dat 7 uur.  Wij om 7 uur paraat…werd het toch weer 8 uur.  We waren vergezeld door onze gids en 2 koppels uit Canada/USA.  Bij het eerste klooster, een rond gebouw met dubbele muur waardoor een gang liep was het al zover…we moesten onze schoenen uit doen.  Da’s dus niet alleen bij de moslims en hun moskees zo, ook bij de christenen en hun kerken.  De binnenste muur van de kerk was versierd met kleurrijke iconen met bijbelse taferelen.
 

St. Georges, erg populair hier!


 

We zagen Mozes, St. Joris en veel meer.  Ook de Ark des Verbonds werd afgebeeld.  Ethiopiërs geloofden rotsvast dat zij die ark in hun bezit hebben in de stad Axum, waar ze achter slot en grendel ligt en door niemand mag aanschouwd worden.  “Enkel drie apen hebben de ark ooit met hun eigen ogen gezien!”, zo zei onze gids.  Three monkeys…of bedoelde hij monks?  ’t Is maar een klein verschil…
Er volgde nog een 2e kerk van gelijkaardig kaliber en een derde ook.  Telkens na het bezoek werden we overstelpt door hardnekkige souvenierverkopers, vaak kinderen.  De derde kerk werd naarstig gerestaureerd.  Alle vaders van het eiland werkten dag in dag uit aan die kerk, terwijl hun uitgehongerde graatmagere kinderen lagen te creperen…Hoe mooi toch, het fanatieke Christendom!
Het laatste eiland was een manneneiland, vrouwen waren er niet toegelaten, zelfs geen vrouwelijke dieren!  Geen kippen, geen geiten en geen vaarzen!  De twee Canadees-Amerikaanse dames dus ook niet, ze werden naar een ander eiland gebracht, terwijl wij de paters van het eiland bezochten.  Aan wal hing een bord met groene letters beschilderd: No entrance for ladies.  Er woonden 25 paters op het eiland.  De opperpater toonde ons 14e eeuwse bijbelse relikwieën.  Die waardevolle schatten uit de oudheid lagen daar gewoon in kasten en we mochten ze aanraken, vastpakken en fotograferen.  Alsof de paters zelf de waarde van de spullen niet beseften…
 

Verboden voor vrouwen!
 
 
 
 
 

14e eeuwse bijbelse relikwieën


 

We keerden terug naar Bahir Dar en huurden elk een fiets en reden richting paleis van Haider Selassie.  Iets voor de brug over de Blauwe Nijl kreeg Torfs problemen met z’n fiets.  Het was weer van dat.  Nog nooit waren we erin geslaagd om in een ontwikkelingsland een fietstocht te maken zonder stukken aan de fiets, ook deze keer dus niet.  Bert zocht en vond een fietsenmaker.  Hij herstelde het euvel en we konden weer verder.  Even, en dan…weer den Torfs z’n rijwiel.  Enkele zwarte jongeren waren ons gevolgd en 1 ervan wilde ons wel helpen.  Hij wilde zijn fiets tegen een kleine fooi wel lenen aan den Torfs zodat we verder konden.  Intussen zou hij dan teruggereden zijn naar de fietsenmaker om Torfs fiets nogmaals te laten repareren.  Hij leek wel te vertrouwen en zijn fiets zag er nog nieuw uit, dus we gingen op zijn aanbod in en reden verder, nog steeds vergezeld door enkele andere zwarten.  Ik praatte met Memar, hij leerde mij veel over het leven in Bahir Dar en over de armoede.  Hijzelf had het geluk dat zijn moeder hem naar school kon laten gaan, ze waren niet straatarm, zoals vele anderen in Bahir Dar.
Op de terugweg vroeg Memar om een foto van hem te nemen samen met z’n vriend.  Ik deed dat, maar het resultaat op m’n digitaaltje was pover, want beide jongens stonden met hun gezicht weg van de zon, waardoor er geen details zichtbaar waren.  Ik riep hen van even te blijven staan:”Wait! Your face is too dark!” (Wacht, jullie gezicht is te donker!).  Niet direct iets wat een blanke hoorde te zeggen tegen een zwarte, zo besefte ik achteraf (met de hulp van Bert en Torfs, die met die domme uitspraak nog de hele reis zouden lachen).  Maar ’t was niet slecht bedoeld…
 

De omgeving rond Bahir Dar


 

We keerden terug en Torfs z’n fiets was gemaakt, hij was nu veel beter in orde dan toen we hem huurden.  We bedankten de zwarten voor hun werk en gezelschap en fietsten naar het Ghion hotel.
De nacht daarop was het Bert en Torfs’ duo-net dat naar beneden viel, wat leidde tot nachtelijk gevloek en geworstel.  Het was eens wat anders dan het gebruikelijke gesnurk…

24-12: We moesten weer vroeg uit de veren om te bus te halen naar Gonder.  De bussen vertrokken onmenselijk vroeg, in dit geval reeds om 6.00h.  Omdat er steeds een tekort aan zitjes was, moesten we wel zo vroeg aanschuiven, anders was het wachten tot de volgende dag.  Tussen bedelaars en verkopers wachtten we geduldig op het openen van de poort van de terminal.  Toen ze eindelijk openging, stormden de zwarten op de bussen af, alsof hun leven ervan afhing.  Met de maalstroom vloeiden we mee, niet wetende welk de bus naar Gonder was…

De bus naar Gonder was al vol toen onze bagage op het dak lag.  Er was geen plaats meer.  Maar we hadden één groot geluk…we hadden tickets!  Tegen wil en dank moesten drie zwarten plaats maken voor ons, een ritueel dat wel een half uur duurde en met het nodige gevloek en verwarring verliep.  Uiteindelijk hadden we plaats en we konden naar Gonder vertrekken…

Onderweg hielden we halt in een dorp zonder naam met straten zonder naam en mensen zonder naam.  Het was zooooo Afrika…alle mensen druk in de weer om die avond een mager maal op het bord te krijgen.  Ouderen sjouwden met hout en voedingswaren, vrouwen verkochten rommel, kinderen verkochten nootjes, snoep en sigaretten…
In een voor de buitenwereld volledige in anonimiteit gehulde sfeer leefden deze mensen hier hun leven.

Na een kleine werkdag op de bus gezeten te hebben kwamen we aan in Gonder en namen het Belegez-hotel.  Het was niet vet, maar ook niet te mager daar.  We konden er onze geplande trip naar de Simien Mountains regelen.  We moesten wel bij de pinken zijn, want de man die de trip organiseerde was niet echt te vertrouwen.  Maar ja, wie van al die negers was dat wel?  Gelukkig was deze zo dom dat wij dit onmiddellijk gewaar werden…

25-12: Een jeep, een rammelbak, bracht ons naar Debark, waar we een mager ontbijt aten.  Bab, onze gids, wilde mij nog hout laten kopen voor het kampvuur, maar nadat ik dat weigerde omdat alles inbegrepen was, hield hij nog steeds vol.  Kwaad werd ik niet.  Ik dreigde wat met brieven te sturen naar reisgidsen en bureau’s over hun praktijken.  Dit was reeds voldoende om onze 15 jarige gids het hout zelf te laten betalen.
We slenterden verder met de rammelbak naar Sankaber.  Daar zou onze trektocht door de Simien Mountains van start gaan.  We namen Bab mee en ook onze scout.  Een lange magere stille man, gewapend met een Kalaznikov.  Ook een kok met twee ezels en hun twee begeleiders gingen mee.
 

Wij 3 met gids en scout in de Simiens

De wandeling was erg vermoeiend, bergop, bergaf, weer bergop…Ook de hoogte liet zich voelen.  En de honger, want dat schrale ontbijt was niet genoeg en op de middag kregen we geen lunch.  Waren ze dit ‘vergeten’?
Geech, waar ons eerste kamp lag, kwam dichterbij.  Er was een klein dorpje, helemaal afgesneden van de buitenwereld.  Alle dorpelingen leken wel ziek.  Velen van hen hadden een vorm van oogontsteking, waarschijnlijk veroorzaakt door het vele stof, de uitwerpselen van ezels en ook een slechte hygiëne en zware ondervoeding.  Ze kwamen naar mij, alsof ze wisten dat ik in geneesmiddelenindustrie werkte.  Ze vroegen pillen.  Al wat ik kon geven was wat aspirine tegen de pijn en wat vitaminetabletten.  Gefrustreerd uit onmacht en wetende dat dit niet veel zou veranderen aan hun ziekte, realiseerde ik mij opeens erg intens wat voor een wonderen een simpele arts met een bescheiden arsenaal aan medicamenten hier moest kunnen uitrichten…
 

De 'Grand Canyon' van Ethiopië


Wat verder, bijna bij kamp één, kwam er bedelaartje van een jaar of 9 naast Bert lopen.  Hij vroeg wat te eten aan Bert, waarop Bert, uitgehongerd als hij was, antwoordde: “Honger?  Gij? Honger hé?  IK heb honger ja…en gij hebt vandaag waarschijnlijk al veel meer gegeten dan ik!  Gij honger zeker….”

Eindelijk op kamp één aangekomen kregen we koffie, thee en koekjes die de ezels voor ons gedragen hadden.  Daarna diner mét wijn!  Het was immers Kerstavond die dag, dat moest gevierd worden.  Wanneer de zon achter de horizon verdwenen was, werd het bitter koud, zoals het hoorde te zijn op Kerstavond…
We kropen allen erg dicht bijeen rond ons kleine kampvuurtje en dronken de wijn.
Voor we in onze tentjes kropen, keken we nog even naar de adembenemende sterrenhemel.  De hoogte, de koude en de volmaakte duisternis toonden ons Orion, voor de gelegenheid leek het wel een extra verlichte Kerst-versie van dit sterrenbeeld te zijn!
 

De maan en de planeet Venus

26-12: De plannen werden alweer veranderd.  Gisteren hadden we waarschijnlijk bij de gidsen de indruk gewekt van in een slechte conditie te zijn, nadat ze ons bijna hadden laten verhongeren.  Daarom werd de trip ingekort en maakten we slechts een lus met enkele mooie uitzichtpunten.  Onze vorm was veel beter op de tweede dag.  We klommen van 3600 meter boven zee naar 3926 meter, wat het hoogste punt was van de tocht.
We zagen ravijnen en kloven van hetzelfde kaliber als de beroemde Grand Canyon in Amerika!  De natuurpracht in de Simien Mountains was veel minder bekend, maar moest zeker niet onderdoen voor Grand Canyon.  In de zon was het veel te warm, zelfs op deze hoogte.
 

Hoog en droog


 

We zagen enkele klipspringers, maar geen Ibex-geiten.  Door onze goede conditie waren we te vroeg terug op de camping in Geech.  Wanneer de zon verdween werd het bitter koud.  We dronken onze laatste fles wijn op met een Duits koppel.  Ze waren verzot op Ethiopië.  Hij was er nu voor de vijfde keer, zij reeds voor de zevende keer!
 

Diepe afgronden


 

We kropen onder de wol en ik wist wat er zich buiten afspeelde.  Onze gidsen deden zich tegoed aan ons bier, zonder dat te vragen…ik kookte van woede, maar besloot om pas de volgende dag actie te ondernemen.
Die nacht had ik een vreemde droom.  Dat gebeurde wel vaker op grote hoogten in het verleden tijdens m’n reizen.  Het was alsof de menselijke geest in ijle lucht dichter bij het allesomvattende was…
Ik droomde dat ik thuiskwam van de reis in Ethiopië, het was reeds half januari.  Mijn broer Jan vertelde me bij mijn thuiskomst dat onze grootvader Mil Beeck was gestorven met Kerst.  Hij was er al slecht aan toe bij mijn vertrek uit België.  Het zou dus niet zo verwonderlijk zijn geweest moest dit echt zo zijn.  Hoewel slechts een droom…ik wist dat het echt was…ik wist nu dat vava dood was…
 

Gelada baviaan

27-12: We wandelden van Geech terug naar Sankaber.  Onderweg dronken we Tella, het lokaal gebrouwen bier, in een geïmproviseerd cafeetje langs de kant van de weg.  Een negerin schepte het troebele bier uit met een lepel in een roestig blik wat ooit tomatensaus bevat had.  Schuimen deed het bier niet, maar het zag eruit als modder en het smaakte er ook wat naar.  De Tella was slechts licht alcoholisch.  Met een erg argwanende indruk ledigden we het blik en trokken verder.  Rond de middag reeds kwamen we al toe in Sankaber.
 

Torfs en de Tella


 

Onze scout vulde onze tijd op met ons naar enkele plaatsen te brengen rondom Sankaber.  We zagen nog klipspringers en een lammergier, een vogel die een spanwijdte had van 3 meter!
Hij mocht er zijn, onze scout, hij kreeg een goede tip van ons.
Na het avondmaal vroeg ik een biertje aan onze gids, we hadden immers zes flessen bier meegebracht, maar ik wist dat die er niet meer waren.  “Euhhh, no more beer sir, we drunk it yesterday…”   “What?  You drunk my beer without asking???”  Mijn expressie moet overtuigend genoeg geweest zijn, die avond stonden er zes nieuwe flesjes bier, al weet ik niet waar hij ze vandaan had, want we waren nog steeds ver van de bewoonde wereld…
 

Luieren in de zon

28-12: Na het ontbijt dienden we te wachten op transport naar Debark.  Onze jeep was immers plots kapot.  Het werd uren wachten, wachten, wachten.  Zoals het hoorde in Afrika.
In Debark aten we lunch.  Debark was een stoffig ‘outlaw’ dorpje.  We kregen een escorte vanuit het busje tot in het restaurantje, om niet in aanraking te hoeven komen met allerlei ongure types, die vast wel iets konden gebruiken van ons.
De rit naar Gonder was prachtig.  We reden door kleine dorpen en zagen de mensen op en langs de zandwegen.  Het deed allemaal erg armzalig aan, maar omdat de bevolking altijd lachte en wuifde, was het niet meelijwekkend.  Ik dacht aan het lied “Do they know it is Christmas time?” , het lied uit de jaren tachtig, toen gezongen door een aantal Britse artiesten ten voordele van de bestrijding van de grote hongersnood in Ethiopië in die tijd.
In de bus werd er chat uitgedeeld, een lokale plant met een licht stimulerende werking, vergelijkbaar met de coca in Peru.  Ik proefde ’n blaadje, den Torfs at er wel twintig op!

In een internet café vernam ik via e-mail dat vava met Kerst was gestorven.  Mijn droom was werkelijkheid.  Was het toeval of niet?  Volgens mij was het geen toeval.  Ik was er al eerder van overtuigd dat er veel meer was tussen hemel en aarde dan dat de wetenschap tot op heden kon verklaren.  Maar vava was dood en ik zou hem nooit meer weerzien…
Er was nog meer naar nieuws te lezen die dag.  In Iran beefde de aarde…40.000 doden…
We zochten een ander hotel, want er kwam een bus Hollanders toe in Belegez.  Zij hadden gereserveerd, dus wij moesten wijken.  We kozen voor het gore Fasil hotel.  Vuil en marginaal, maar kort bij het centrum gelegen.  Dat laatste pleitte in het voordeel…
We dronken nog wat pinten op het Affinity terras.

29-12: We verhuisden onze spullen van het Belegez hotel naar het Fasil hotel.  We boerden erop achteruit.  We liepen wat door de straten van Gonder, gingen naar de bank en naar het bureau van Ethiopian Airlines.  We kochten postkaartjes.  Onderweg kwamen vele plaatselijke kinderen bedelen en den Bert maakte zich weer druk in die ‘rattekes’.
 

Maneuvers gezien vanop het terras van het Fasil hotel


 

Op aanraden van een Duits koppel gingen we eten in het Mini Fogera Hotel, omdat ze daar westerse kost zouden hebben!  Maar’t viel dik tegen, want injera was al dat de pot schafte…
We liepen nog wat rond in de namiddag door de straten van Gonder en aanschouwden alles.
Tegen de avond probeerden we nog eens om aan lekker eten te geraken, dit keer in het Circle Hotel.  Het soepje was nogal waterachtig, maar de spaghetti viel wel mee.  Toen ze kwam afruimen vroeg de serveuze erg bedeesd of het lekker was.  Bert, eerlijk als altijd, antwoordde hierop: “The soup was terrible!”  Bon, we hadden toch weer iets achter de kiezen.
De nacht kwam, dus we gingen weer naar het goorste hotel van heel Gonder…ons Fasil hotel.  Het toilet was echt een groot probleem.  Het was erg vuil en er was geen ‘sjas’.  Er was wel een bad, gevuld met water dat dienst deed als waterreservoir om het toilet door te spoelen.  Een vieze plastieken kom diende om het water uit het bad te scheppen en vervolgens dit water door het toilet te gieten in de vaak ijdele hoop dat de kak mee zou doorspoelen.   Nu had elke gast van het hotel dit systeem niet zo goed begrepen, want die avond had er een gezellig individu niet beter gevonden dan een bad te nemen in het reservoir!  Het water zag troebel en er dreven zeepbellen en krulharen in rond…

30-12: We gingen een burcht uit de middeleeuwen bezoeken in Gonder.  Alvorens we vertrokken pakte Bert alles goed in en bergde alles goed op, want hij had in de gangen van het hotel een negerin van de poetsdienst gezien (jawel, de poetsdienst was wel degelijk aanwezig in het Fasil hotel!) en dat oude wijf ‘kon wel alles gebruiken’ volgens Bert…
De burchten van de ‘Royal Enclosure’ waren een mix van Indische, Portugese, Moorse en Aksumitische bouwstijlen.  Knap waren ze bewaard gebleven en we hadden zulke oude gebouwen niet echt verwacht in Ethiopië.
 

De 'Royal Enclosure'


 

Het ‘bad van de keizer’ behoorde ook tot deze ruïnes, maar lag een tweetal kilometer verderop.  We gingen te voet en een ‘ratteke’ leidde ons ernaar toe.  Hij had iets nodig, waarschijnlijk geld.  Maar met onze kleine fooi kwamen we er niet zo makkelijk vanaf…hij bleef ons volgen en wilde meer geld.  Hij had namelijk honger, maar een slok Fanta weigerde hij en wanneer we even laten aten op het Affinity terras, weigerde hij ook Tom’s injera, die er nochtans erg smakelijk uitzag met de bonenbrij…
 

Injera met bonen, een voortreffelijke keuze!


 

Het kind enerveerde ons en eigenlijk vonden we het ongepast dat hij zomaar bij ons aan tafel schoof.  Bert joeg de kleine weg, maar wat later was hij terug en kwam weer aan tafel zitten.  Bert gooide een kroonkurk tegen z’n kop, mooi net tussen z’n twee ogen in (en hij had al één blind oog) en Bert  stond dreigend recht.  De toch niet zo hongerige kleine verdween voorgoed…
Ze hadden het niet makkelijk, die straatkinderen.  De meeste van hen waren wezen want velen zeiden steeds ‘fazzerdead, mozzerdead, hangry hangry’ en er was dus niemand die deze stakkerds manieren kon leren en er was buiten enkele toeristen niemand die voor hen zorgde.  Het was altijd moeilijk…we balanceerden telkens weer op de grens tussen twee uitersten, tussen ontfermen en negeren…

31-12: Een taxi reed ons naar de luchthaven van Gonder.  Hij reed als ’n gek.  Maar we kwamen heelhuids toe bij de luchthaven.  Hoewel de gek geen Engels verstond, kon Bert hem met behulp van een tolk toch duidelijk maken dat ‘hij geen fooi kreeg omdat hij een gekke bestuurder was’.  Nu wilde het lukken dat de koffer niet open wilde gaan en het net Bert-met-z’n-franke-mond z’n rugzak was die daarin stak!  Maar na wat ge-breek ging de koffer toch wel open.
Er zat een horde Jappen in de verder erg rustige luchthaven.  Ze reizen steeds samen in grote aantallen, meestal in veelvouden van een autobus.  Naar’t schijnt zijn Jappen nogal bang om alleen te reizen, daarom verzamelen ze zich tot horden wanneer ze hun thuisland verlaten.
De Jappen zaten op ons vliegtuig naar Lalibela, samen met een groep Zweden die reisden onder begeleiding van een zwarte Ethiopische gids.  Die gids zat naast mij op het vliegtuig.  Hij had een taart op z’n schoot die zou verslonden worden door de Zweden om het nieuwe jaar te vieren.  In Lalibela was namelijk niet veel, er was zelfs geen patisserie! Naast de gids zat een Japanse dame op leeftijd.  Gedurende de hele vlucht vouwde ze origami figuurtjes voor de gids, die zich na een tijdje wat verveeld voelde door de immer lachende dame die weer eens een papieren figuurtje klaar had  en in Japanse kreten haar voldoening hierover steeds weer uitte…
De luchthaven lag op 1900 meter boven de zeespiegel, ons hotel Asheton op 2600 meter.  De bus had flink wat last met deze klim.  Lalibela lag zeer geïsoleerd, in een wijde omtrek was er geen enkele andere stad te bespeuren.  Met een lokale neger klommen we op een heuvel.  Op de top van de berg lag een klooster, wat onze bestemming was.  Er werd tarwe gekweekt en ook aardappelen.  Alles was er erg dor.  Op de flank van de heuvel leefden arme mensen.  Boven op de berg aan het klooster was het uitzicht erg mooi, we konden daar pas echt zien hoe geïsoleerd Lalibela echt lag!
 
 

Kinderen in een nederzetting rond Lalibela


 

Weer op het hotel liepen de Zweden daar ook weer rond.  Het waren rare mensen.  Het was precies een groep van geneesheren of andere hoog opgeleide, dus wereldvreemde mensen.  Wat toch kwamen zij uitgerekend in Ethiopië zoeken?

Het toilet in het Asheton hotel was steeds verstopt!  De hoofdzakelijk westerse gasten hadden zoals altijd de kwalijke gewoonte om het toiletpapier in de pot te gooien.  In ontwikkelingslanden zijn de toiletten niet zo goed als bij ons en raken hierdoor makkelijk verstopt.  In andere hotels hing er vaak een papiertje op het toilet met de boodschap het papier in een mandje te gooien.  Nu dachten wij dit ook hier in het Asheton te introduceren en Bert schreef een blaadje met “Don’t put the paper in the toilet please” alsook dezelfde boodschap in het Amhaars.
 

Lalibela


 

Het was oudjaar!  We hadden wat witte wijn gekocht en dronken die op in ons hotel Asheton om dit te vieren.  Torfs werd plots ziek, zodat ik zijn fles ook verder moest ledigen.  We haalden nieuwjaar niet!  Voor twaalven lagen we reeds in bed.  Torfs ziek en ik ook zowat na twee flessen witte wijn!
 

1-1:  Die ochtend was het weer van dat…..het toilet was weer verstopt!  En het blaadje met onze boodschap was weg!  Er werkte een negertje dat altijd het toilet kwam ontstoppen.  Had hij ons blad verwijderd?  Voelde hij zijn job bedreigd door onze ingeving?  Dit was Afrika, we zouden het nooit helemaal kunnen begrijpen…

We hadden het ambitieuze plan om die dag elf verschillende kerken te gaan bezoeken in Lalibela.  Sommige van die kerken waren ondergronds en 1 ding hadden ze allemaal gemeen: ze waren uitgehouwen uit de rotsen.  In elke kerk zat een priester, die telkens poseerde met een gouden kruis, waarna hij gretig een fooi ontving.  De kerk geeft niet…ze neemt!  Belgen hadden hier in de kerken van Lalibela een kwalijke reputatie, want ooit was hier een Belg die HET gouden kruis der gouden kruizen had gestolen.  Maar het kwam uiteindelijk weer terecht!
 

Eén van de elf kerken


 

We slaagden er in om alle kerken te bezoeken op drie uren tijd.  Genoeg kerken gezien voor het hele jaar!
Torfs en ik voelden ons wat slap en we wilden bananen kopen.  Het Ethiopische voedsel van de laatste dagen was te weinig gevarieerd en we hadden krachtvoer nodig.  Bananen waren gewoonlijk rijkelijk aanwezig in apenlanden, maar in Lalibela was er die dag geen enkele banaan te vinden!  Zo kregen we ook het gevoel dat Lalibela wel degelijk erg geïsoleerd lag van de buitenwereld!
 

De kerk geeft niet...ze neemt


 

We kochten wat souveniertjes.  Er werden oude bijbels en religieuze relikwieën verkocht, waarschijnlijk vele illegale of gestolen goederen.
We werden uitgenodigd op de koffieceremonie bij onze gids van gisteren.  Een koffieceremonie was een gebruikelijk ritueel in Ethiopië en zulks een uitnodiging weigeren werd als oneerbiedig aanzien.  Bert had er niet veel zin in, hij was namelijk geen koffiedrinker, maar Torfs en ik zagen dit ritueel in het land-waarvan-de-koffie-afkomstig-is wel zitten.  In een erg klein huisje zaten we dan, de wierook vulde het kamertje.  De moeder van de gids maakte de koffie volgens het ritueel.  De bonen werden gebrand, gemalen en vervolgens werd de koffie gemaakt.  Nadat we die geconsumeerd hadden, werd met dezelfde gemalen bonen nog een tweede keer koffie gemaakt.  Zo hoorde het ook!  We bedankten de mensen en keerden terug naar ons hotel.
 

Op de koffie!

We dronken nog iets in de bar van het hotel en vroegen aan de jongen die ons bediende op welke hoogte het klooster dat we de dag voordien bezochten nu eigenlijk lag.  We dachten zo rond de 3000 meter, maar wisten het niet zeker.  De jongen keek wat verward en antwoordde: “7 kilometer”.  Neeneen, zeiden we, de hoogte!  “150”, zei hij en verdween vervolgens.  Dit was Afrika, hier was geen wiskunde of wetenschap…..

2-1:  Torfs en ik gingen naar de markt in Lalibela.  Nu waren er wel bananen!  We gingen Lalibela al weer verlaten.  Rond de middag kwam een busje ons oppikken om ons weer naar de luchthaven te brengen.  We zaten wat te wachten op dat busje en praatten met een Italiaanse die al twee jaar in buurland Somalië werkte.  Er heerste daar grote chaos in dat land zonder regering of wet!
 

De elf kerken in Lalibela waren met elkaar verbonden door een netwerk van poorten en tunnels


 

Een groepje oudere Hollanders kwamen toe in het hotel dat wij op het punt stonden te verlaten.  De dames waren onder de indruk van de patio met bloemen.  “Ooh, wat knus!” zei één van hen.  Wij moesten erom lachen.  Wacht maar tot ze met die altijd maar weer verstopte WC zouden kennis maken.  “Ooh, wat knus!”  Die Hollanders toch!
We waren op de luchthaven en even na ons kwam die groep vreemde Zweden er ook weer aan.  Alsof ze ons volgden!  Hun zwarte gids had naar mijn gedacht al schoon genoeg van z’n groep Zweden, hij stond altijd ergens anders, ergens ver weg van zijn groep.  God weet wat hij er al mee had meegemaakt!
We hadden een vlekkeloze vlucht deze keer in onze Fokker 50, met een tussenstop in Bahir Dar.  Van daar vlogen we verder naar hoofdstad Addis waar we de nacht zouden doorbrengen.
De Italiaanse deelde met ons een taxi en we arriveerden aan het Taitu Hotel.  We hadden geluk, we hadden de laatste kamers!
Weer werden we gevolgd door de Zweden, ze kwamen ook toe bij ons hotel.  Alweer.  Zij hadden natuurlijk gereserveerd, want het zagen er absoluut geen avonturiers uit!  Maar nu was er toch wel een klein vergissinkje gebeurd in het nadeel van de Zweden…er was één kamer te weinig.  Eentje van hen zou naar een ander hotel moeten!  Maar dat had de receptioniste beter niet laten gebeuren, want de moedigste der Zweden maakt grondig kabaal tegen de timide receptioniste van Indiase afkomst.  “Los jij dat nu maar op voor mij!  Ik ga niet daarbuiten in het midden van de nacht! (waarbij hij naar de straten van Addis buiten de hotelgrond wees)”
Ik dacht dat hij nog ging wenen als een kind ook!  Ik was weer eens verlegen voor mijn ras….
Wij hadden dringend geld nodig en een zwarte jongen bracht ons tot bij het Sheraton Hotel.  Daar konden we geld afhalen met onze Visa kaart.  Het Sheraton was als een juweel voor onze ogen!  Na reeds twee weken in echte armzalige dorpen te hebben vertoefd, waren we reeds gewend aan die toestanden en de weelde van het Sheraton stak erg af tegen al wat we in de vorige twee weken reeds te zien kregen.  Alles wende zo snel…

3-1:  Onze vlucht naar het zuidelijk gelegen dorp Arba Minch was sensatie!  Het vliegtuig was een ouwe DeHaviland Canada Twin Otter, een klein vliegtuigje met twee propellers en slechts 18 zitjes!  Al bij het vertrek was er weer iets niet in de haak.  De twee zwarte piloten prutsten wat aan het toerental van de twee propellers maar kregen die niet fatsoenlijk afgesteld.  Dan maar zo de lucht in.  We konden de piloten goed zien en ook hun dash-board, dat vol kleefde met handgeschreven paste-it blaadjes met instructies.  De overige passagiers waren Italianen.  Ze werden muisstil bij het opstijgen en de ouwe Italiaan die naast Torfs zat werd lijkbleek en het koude zweet brak hem uit.  Hij zag eruit alsof hij de piloot elk moment kon nopen tot een noodlanding wegens een hartaanval!
Het tuigje won traag hoogte, maar bleef toch in de lucht!  Het houten interieur bewees dat het tuigje oud was en een koude trek aan de nooduitgang bewees dat het toestel niet helemaal luchtdicht was…
We landden in Arba Minch.  Op de kaart van Ethiopië was Arba Minch één van de grotere steden van zuidelijk Ethiopië.  Maar het was geen stad…het was een gat.  En er zaten rattekes!
 

Uptown Arba Minch


 

Maar het was best wel aangenaam in Arbamich, het was er rustig en ons hotelletje lag in een rustige buurt, maar toch niet ver van het centrum, hoewel Arba Minch eigenlijk was verdeeld in uptown en downtown.
We aten in het Bekele Mola hotel, het was een sjieker hotel dan het onze, het sjiekste in de buurt, maar voor ons budget reizigers een beetje te duur.  Maar ’t eten was er goed en betaalbaar.
Torfs en ik wilden internetten…..jawel, er was een netcafé in Arba Minch!  Maar het werkte niet.  We probeerden en probeerden, maar niks, geen verbinding.
Torfs en ik wilden wijn kopen, jawel er waren enkele winkeltjes in de buurt van ons hotel.  Maar ze hadden geen wijn, zelfs geen bier!
Torfs en ik wilden dan maar een biertje gaan drinken in een kroeg.  Jawel we hadden verderop een terrasje gezien!  Maar op de kaart stond geen bier…dus vroegen we de ober of er bier was? “Jawel!”, zei hij.  “Castel?  St. Georges?” vroegen wij.  “Nee, wel mango!” antwoordde hij.  “Is mango bier?”, vroegen wij, omdat het eerder klonk als een vers vruchtensapje dan wel een schuimende pint gerstenat.  “Yes!”, antwoordde de ober zelfzeker.  Dus we bestelden twee ‘mango’s’.  Wat later kwam dezelfde ober terug met twee heel gezonde mangosapjes, puur fruitsap, zonder alcohol!
M’n zoektocht met Torfs had iets van een “wild goose chase”, onze wensen waren niet in vervulling gegaan.  We aten weer in Bekele Mola.
 

Ooievaar

4-1:  We maakten een boottochtje op een groot meer in de buurt van Arba Minch.  We moesten nog even wachten tot de vissers onze boot leegmaakten met hun vangst.  Ze bleven maar verse vis uitladen!  Het was een erg goede vangst van voornamelijk katvis en nog een andere soort.  De boot was van metaal gemaakt en het vereiste flink wat mankracht van de vissers om de boot met ons erin op het water te duwen.  Het was een motorboot, dus roeien moesten we gelukkig niet doen.  Er zaten vele ooievaars en maraboes en grote dikke krokodillen!  Ook vele pelikanen en reigers en we zagen zelfs vier vette hippo’s in het water!  Een visarend zat rustig op een paaltje.
 

Dikke krokodillen


 

We keerden terug naar Arba Minch en gingen er naar het Soma restaurant.  Daar werd de vis die op het meer gevangen werd geserveerd.  We aten de vis, die erg lekker en heel vers was.  Er waren ook tomaten bij en voordien at ik dat nooit.  Maar toen, plots at ik tomaat en sindsdien eet ik het vaak!  Vreemd…
 

Hippo's


 

In de namiddag gingen we naar downtown Arba Minch en huurden er een fiets.  Het waren rare fietsen, ze leken wel op een vooroorlogse Europese fiets, ofwel een huidige circusfiets!
We wilden de Crocodile Ranch gaan bezoeken, even buiten de ‘stad’.  Ervan overtuigd dat we de weg wisten, reden we stoutmoedig op weg.  Onderweg riepen mensen ons toe en vroegen naar waar we op weg waren.  Addis Abeba, logen we al grappend.  Maar de ranch kwam maar niet!  Zonder het zelf te beseffen waren we echt op weg naar Addis Abeba, een 502 km lange weg!  Tot een bezorgde jongen ons erop wees.  Hij had ook een fiets en begeleidde ons tot bij de ranch.  We moesten een héél stuk terug, want we waren véél te ver gereden!
 

Op weg naar Addis Abeba


 

Het laatste stuk was een erg mooie gravelweg tussen jungle.  We zagen er mooie vogels en ook enkele wilde apen.
In de ranch werden de krokodillen gekweekt voor hun leer.  De ranch was eigendom van de staat, we kregen er uitleg over de dieren.  De kwekerij was gelegen aan een meer en er was ook een uitzichtpunt over het meer om hippo’s te spotten.
 
 

Crocodile Ranch


 

We gingen eens kijken, maar er zaten geen hippo’s.  De dieren waren waarschijnlijk afgeschrikt door een aan de gang zijnde trouwfeest op het strandje van het meer!  We voegden ons bij een stel dronken uitbundige negers die ons direct een fles Tej aanboden.  Tej was een lokaal gebrouwen honingbrandewijn.  We dronken van het spul, dat ons direct naar het hoofd steeg.  “Come on…dance!”, zei een van de vrolijk lachende negers en hij deed ons voor hoe we dienden te dansen.  “This is Africaaaa…Africaaaa!”, zong hij.
 

Yves drinkt Tej


 

Wanneer we terug naar onze fietsen stapten, zagen we dat Torfs’ band plat stond en het was nog een heel eind tot in Arba Minch.  Maar het gaatje was blijkbaar niet erg groot, want nadat de ambtenaren van de ranch de band weer oppompten, bleef hij toch voorlopig gevuld met lucht.  We haastten ons dan maar snel richting downtown en wanneer we daar toekwamen, was de band reeds weer half leeg.  Maar Torfs stapte wat vroeger af en ging het laatste stuk naast z’n fiets, zodat het niet opviel dat de band plat was.  We leverden de fietsen mooi weer af en gebaarden van de krommenaas!
Het was ‘rush hour’ in Arba Minch en alle lokaal vervoer zat overvol.  We gingen dan maar te voet terug naar ons hotel in uptown Arba Minch.  Onderweg kwamen we een Tilburger tegen, hij was wat overstuur en in paniek, want hij had net een heel lange busrit achter de rug en was bijna opgelicht door een tout.  Hij voelde zich op z’n gemak in het bijzijn van de drie rustige Belgen.  Hij had nood aan contact en daarom namen we hem mee naar ons hotel toen het zowaar begon te regenen!  Het was onze eerste regen in Ethiopië!
We gingen eten in Bekele Mola voor de afwisseling en tot onze niet-zo-grote-verbazing waren de Zweden daar nu ook toegekomen!  Ze liepen rond in het kleine winkeltje van het hotel en zagen er allen levensmoe uit.  Er was er ééntje bij die echt zo zielig overkwam, dat het hilarisch werd.  Hij had een imkernet over z’n hele hoofd getrokken tegen de muggen en hij zat haast levenloos en onbeweeglijk op een stoel.  Hij leek wel te denken:”Wanneer gaan we nu eindelijk terug naar huis?”

5-1:  We vertrokken om 6 uur in de ochtend met een luchtblauwe Nissan jeep richting Nechisar National Park.  Het landschap was er dor, maar mooi en we zagen er bavianen, vervet-apen, Grants gazellen, dikdiks, zebra’s en zeldzame hartebeesten.
 

Nechisar National Park


 

We stopten aan een meer, hetzelfde meer waarop de boottocht hadden gemaakt de dag voordien.  Nu zagen we de dikke krokodillen opnieuw, maar dit keer van op het land in plaats van op het water.  We hadden een goede gids en ook twee scouts bij.  Maar erg gerust voelde ik mij niet met die twee gewapende scouts op de achterbank!
Nechisar was niet zo groots en spectaculair als pakweg de Serengeti in Tanzania of  Etosha in Namibië, maar we hadden er toch aardig wat wild gezien en onze safari was dus wel geslaagd.  Het grote voordeel aan Nechisar was dat er nog geen grote toeristenstroom was en dat maakte het dan toch ook weer een beetje uniek…
 

Zebra in Nechisar


 

We waren zo’n 2.5 uur vroeger terug dan voorzien en ik vroeg of we geen vermindering kregen, maar dat pakte helaas niet.
We aten bij Rosa, een ouwe Italiaanse madam.  Haar vis was in orde, maar de spaghetti was pover om van een Italiaanse kokkin te komen!  We poogden nog eens te internetten, maar dat bleek nagenoeg onmogelijk te zijn in Arba Minch…
We gingen terug naar Bekele Mola.  Daar was pas een groep Hollanders aangekomen met een gids.  Ze zaten aan tafel en de gids gaf een speech, het was ronduit een belachelijke vertoning.  Het was een groep oudere Hollanders die blijkbaar niet veel kaas gegeten hadden van zelfstandig te reizen, want naar hun gids zijn speech te oordelen was dit een zéééér ‘georganiseerde’ reis!  Ik hoorde de gids nog zeggen: ”Wat andere toeristen betreft…ik heb liever dat je contact met hen vermijdt, maar jullie kunnen zelf beslissen of je dat wilt of niet…”  Enfin, dié vrijheid kregen ze dan toch nog van hun gids…
Alsof er nog niet genoeg Hollanders waren die avond, dook plots ook de Tilburger weer op.  Hij had een betere dag gehad die dag.  In de ochtend was hij nog van plan meteen de eerste bus weg uit Arba Minch te nemen, maar besloot toch te blijven en hier in Bekele Mola had hij ’t best naar z’n zin gekregen…

6-1:  We verlieten Arba Minch om 5h30 in de ochtend met de bus.  We hielden nog halt in downtown en we moesten van de bus stappen.  Geen minuut later vertrok onze bus plots zonder verwittiging, met onze bagage er nog op!  Ik kon er nog net opspringen, maar Torfs en Bert niet meer.  De bus reedt enkele honderden meters verder, tot op de echte bushalte die nog niet geopend was.  Maar ik was er reeds binnen en kon zo onze bagage in het oog houden.  Ik stapte weer af en rookte een sigaret.  Toen m’n sigaret bijna opgerookt was, gingen de poorten van het station open.  Ik hoorde een aanzwellend rumoer op de bus afkomen en stapte vlug weer op, want ik wist al wat er ging gebeuren…
Het waren wilden!  Er was die dag maar één bus naar Awasa en iedereen wilde een zitje bemachtigen, maar er waren er gewoon niet genoeg.  Bert en Torfs waren als laatste op de bus, maar dat speelde geen rol, want wij hadden al tickets, dus we konden mee.  Langzaam aan keerde de kalmte weer op onze bus en we vertrokken richting Awasa.  Hoewel het niet legaal was in Ethiopië, zaten er meer mensen op de bus dan er zitjes waren.
Toen we even onderweg waren, in het midden van de brousse, stopte de bus plots.  Vanuit een bananenplantage doken zomaar een tiental zwarte vrouwen op met grote schalen, gevuld met verse mango’s.  Iedereen, behalve wij, stormde van de bus en begon verwoed zakken met mango’s te kopen!  Het gedrag van de wilden kwam ons vreemd over.  Maar we lieten het gebeuren en aanschouwden het in alle stilte.  Er werden ook limoenen aangeboden.  Op het dak van de bus hoorden we de kippen kakelen…
Toen de bus weer aan het bollen was, kreeg een passagier het plots in zijn hoofd om toch nog  vlug een schaal mango’s te kopen van een meisje dat meeliep aan het raam.  Ze kon de schaal nog net door het raam afgeven aan de passagier.  De bus nam vaart en de koper ledigde vlug de schaal mango’s in z’n handbagage, gooide de lege schaal door het raam en gooide nog enkele birr achterna.  Ik zag nog net hoe het meisje haar schaal en het geld opraapte…
We zaten helemaal achteraan in de bus.  Vooraan zat een meisje dat af en toe heel het voorste deel van de bus aan het schaterlachen maakte.  We wisten niet echt wat ze zei, want het was Amhaars.  Duidelijk was wel dat ze haar eigen volk goed wist te entertainen!
 

Met de bus naar Awasa


 

Toen we een vrachtwagen probeerde in te halen, reden we door een erg diepe put in het wegdek, wat ons een platte band opleverde.  Toen we naast de bus stonden, kwam één van de wilden een praatje maken met ons.  Hij wilde wel ‘ns weten wat wij in godsnaam in een land als Ethiopië kwamen zoeken!  En hij wilde ook weten waarom we geen vrouwen hadden!  Elk orgaan moest immers dienen en hoe langer we wachtten, hoe meer sleet daar op kwam!  Het was best wel een grapjas…
De dag nadien was het Kerst in Ethiopië.  Door hun andere kalender was Kerst hier op 7 januari.  Vandaar de vele kerstkippen op het dak van de bus.  Er waren verschillende politiecontroles.  Door Kerst waren vele bussen voller dan anders.  Maar telkens er een controle naderde, stopte de bus even vooraf en de overtollige ‘illegale’ passagiers stapten rustig af en gingen te voet voorbij de controlepost, om nadien weer ongemerkt op de bus te stappen.  Het was de gewoonste zaak van de wereld…
Enkele kilometers voor Sashemene, een ietwat groter dorp, was er weer een controlepost en er waren nog twee passagiers teveel op de bus.  Ze stapten af en de bus reed ineens door tot Sashemene, voorbij de controlepost, zonder dat die twee passagiers dat wisten!  Ze liepen de bus nog na, want ze dachten natuurlijk dat die met hun bagage voorgoed vertrokken was!  Maar de bus reed door.  In Sashemene stapte er wat volk af om te lunchen.  De meesten bleven echter zitten op de bus, Awasa was immers niet zo veel verder meer.
De bus maakte rechtsomkeert om de twee achtergelaten negers op te pikken.  Er was plaats genoeg nu.  Ze kwamen verbaasd, maar dolblij afgelopen op onze bus.  Ze konden erom lachen en heel de bus lachte mee…
We reden weer voorbij de controlepost en in Sashemene pikten we de lunchende mensen weer op en we waren weer compleet!  Een geslaagde onderneming!
We naderden Awasa, onze eindbestemming voor die dag.  Enkele uren terug waren het wilden, onze medepassagiers.  Maar door hun zin voor humor hadden ze onze sympathie gewonnen!  De wilden waren mensen geworden…
Toen we van de bus stapten in Awasa stond er al een nieuwe horde wilden te drammen om op onze bus te stappen!  Ze lieten ons er niet eerst af, nee, ze duwden iedereen terug naar binnen!  Toen we uiteindelijk toch uit de bus geperst waren, zei een van de nieuwe wilden tegen ons: “I am sorry for our hospitality.”  Hij verontschuldigde zich voor het primitief gedrag van zijn landgenoten…
We kozen hotel Lewi en dat was dik in orde.  We konden weer eens internetten, dat was even geleden, want in Arba Minch was daar geen sprake van.  We lazen dat er in het noorden van Ethiopië een kerk was ingestort met slachtoffers als gevolg.  Ook was er een vliegtuig van Flash Airlines in de Rode Zee neergestort.
We vierden Kerstavond op het terras van ons hotel.  We dronken ons zoveelste biertje en bestelden er nog twee.  Maar we kregen twee koffie’s in plaats van twee biertjes!  Was het onze slechte articulatie?  Of loog het aan hen?  Wie zal het ooit weten?

7-1:  We bleven in Awasa de hele dag en verkenden het stadje te voet.  Er was een groot meer en er zaten vele vogelsoorten.  We liepen langs de oever van het meer en zagen er maraboe’s, reigers, ijsvogels en visarenden.  Er kwam een naakt jongetje uit de struiken gekropen.  “Money…money”, zei hij, waarbij hij zijn hand uitstak.  We reageerden niet.  Toen zag hij onze camera’s.  “Photo…photo”, probeerde hij, om toch maar een birr uit onze zakken te krijgen.  We lieten hem maar en liepen verder.
 

Maraboe's langs het meer van Awasa


 

Alle winkels waren toe die dag, want het was Kerst.  We doolden maar wat rond en sloten de dag weer af op het terras van ons hotel.  Iedereen was erg mooi gekleed voor de gelegenheid!  We dronken weer bier en werden nog verwend met een echt Afrikaans vuurwerk!  Het was niet veel meer dan wat slap gespetter en geplof.  De helft van de vuurpijlen deden niets of niet veel, als waren ze nat geworden.  Het was tweederangs, maar omdat het in Afrika was, had het iets puur, iets oprecht…

8-1:  We trokken verder naar Addis.  De busrit verliep veel minder chaotisch dan de vorige.  Ik zat naast een Ethiopiër, hij moest van alles weten over mijn land en onze cultuur.  Vooral het Katholieke geloof in België interesseerde hem.

“Gaan de jongeren in België nog elke week naar de kerk?”
“Neen, ze hebben alles wat ze willen, dus ze hoeven niet meer te bidden.”
“Ai ai, dat is niet goed!”
“Vorig jaar was er in België slechts één nieuwe priester afgestudeerd.”
“Ai ai niet goed!”

In Addis namen we de taxi naar het vertrouwde Taitu Hotel.  In een internet café las ik in een mail van broer Jan dat de Patsy in het Plein al gehoord had van de kerk die in het noorden was ingestort.  Vermoedelijk werd er aan den toog in het Plein reeds gespeculeerd over of wij al dan niet in die kerk zaten.

9-1:  We gingen te voet naar het Natural History Museum en zagen er een hele reeks opgezette dieren uit Ethiopië.  Er waren er veel die we ook in levende lijve hadden gezien de afgelopen drie weken!
We bezochten ook het National Museum.  Daar lagen de resten van Lucy.  Op 30 november 1974 werd in het noordoosten van Ethiopië het gefossiliseerde skelet van een erg verre menselijke voorloper gevonden.  Op het ogenblik dat de archeologen de fossielen vonden, draaide men ‘Lucy in the sky with diamonds’ van de Beatles en het skelet werd Lucy gedoopt, genaamd naar het nummer.  Lucy was toen de oudste en meest complete restant van een hominoïde ooit gevonden en naar schatting minstens 3.2 miljoen jaar oud.
Daarna gingen we nog naar het Etnologisch Museum, dat gelegen was op de campus van de universiteit van Addis.  Den Torfs werd wat ziek.  Op het hotel had hij koorts.

10-1:  We gingen naar de markt om ons laatste geld op te doen.  Twee studenten wilden ons de weg wijzen en op ons passen.  We stonden dit toe na lang verzinnen.  We kochten allerlei souvenirs, gaande van houten beeldjes tot een struisvogelei en rieten mandjes.  Voor Nina kocht ik ook een plastieken negertje.  Het was een plaatselijke rage, maar in Europa volledig onbekend.
In de namiddag ging Bert en ik nog naar een boekenwinkel en op zoek naar schoenen voor den Bert.  Bert vond geen geschikte schoenen, dus kocht hij maar een Ethiopische koffiezet in de plaats.  Och, het geld moest toch op!

11-1:  Als afsluiter bezochten we nog het Bihere Tsige Recreation Centre.  Het was een stadspark net buiten Addis Abeba.  Er stonden vele bloemen en bomen en we maakten er een wandeling.  Er zaten ook aapjes.  Torfs en ik verzamelden zaadjes van acacia-bomen om ze thuis proberen te laten kiemen.
 

Aapjes in het Bihere Tsige Recreation Centre


 

De taxi bracht ons naar de luchthaven.  Hij zei ons dat we zo rustig en kalm waren aan het einde van onze reis door Ethiopië.  “You are such quiet people, not like the other tourists.  You came here to Ethiopia, forfilled your mission, and now you go home quietly…that is so nice!”  Was de man gewend van Hollanders te vervoeren?  Ik wist het niet, maar ik wist wel dat onze reis ten einde was.  De vlucht verliep erg vlot en het vliegtuig zette ons weer af op Europese bodem.  Het was bitter koud in Frankfurt.  Bert z’n Renault stond er nog, goddank.  Het was nog erg vroeg in de ochtend en het was nog donker.
We waren bijna weer thuis…en ik dacht nog aan Ethiopië.  Ik stond versteld van de mensen daar.  Hoe ze met zo weinig middelen toch zo goed hun plan wisten te trekken.  Het waren plantrekkers…ze moesten wel.  Maar bovenal…het waren mensen, geen wilden.  Ze leefden anders dan wij, maar het was niet aan ons om te oordelen dat ze ook slechter leefden dan wij…
 


Yves Van Roosbroeck
Hallaar, December 2004

Ethiopisch volksverhaal:
 

Er was eens een hond, een geit en een schaap.  Ze wilden samen een reis gaan maken en besloten een taxi te nemen.  Zo deden ze.  De ezel stapte uit de taxi en betaalde.  De hond betaalde eveneens, maar kreeg nooit zijn wisselgeld weer.  En de geit stapte uit, maar betaalde niet!
Tot op vandaag, en telkens er een voertuig passeert, jaagt de hond nog op z’n wisselgeld, verdwijnt de geit uit angst alsnog te moeten betalen en blijft de ezel gewoon stomweg in het midden van de weg staan!